Project Description

Mama op de strafbank

De inkomensverschillen tussen de seksen worden steeds kleiner, maar een andere kloof blijft hardnekkig bestaan: die tussen moeders en vaders. Zodra vrouwen kinderen krijgen, leveren ze in op salaris. Hoe kan dat? 

Toen Patricia Arquette dit jaar een Oscar won, hield ze in haar thank you speech een hartstochtelijk pleidooi voor de inkomensgelijkheid tussen mannen en ­vrouwen. Om preciezer te zijn: ze richtte zich tot ‘every woman who gave birth’, ofwel moeders. Dat was verrassend. Maar het sloot naadloos aan op de rol waarvoor ze net dat gouden beeld had ontvangen. In de film Boyhood speelt ze een alleenstaande moeder die scheidde van de man van haar kinderen, een aantal verkeerde mannen in de armen sloot, vaak met haar ­kinderen verhuisde en desondanks toch carrière maakte en hoogleraar psycho­logie werd. ‘Waarom kreeg zij (de moeder in de film, red.) voor hetzelfde werk ­minder betaald dan haar mannelijke ­collega’s?’ vroeg de Oscarwinnaar zich af.

Dat vrouwen minder verdienen dan mannen is seksistisch, want volgens een wet uit 1975 zouden we voor hetzelfde werk hetzelfde loon moeten krijgen. Anno 2015 is er inderdaad niet altijd meer een inkomensverschil. Want ben je een vrouw tussen de 23 en 35 jaar en werk je bij de overheid, dan verdien je zelfs iets meer dan je mannelijke collega’s, namelijk 0,7 procent, blijkt uit cijfers van het CBS (2013). De ambtelijke kloof is dus gedicht, maar dat geldt niet voor iedere sector. Gemiddeld krijgt een single vrouw 86 cent waar een single man een euro verdient.

De kloof wordt dieper zodra er kinderen komen. Moeders van jonge kinderen krijgen nog maar vijftig cent voor elke euro die de vader inbrengt. En daar blijft het niet bij, want vier jaar na de geboorte, wanneer het jongste kind op de basisschool zit, krijgt een moeder nog maar veertig cent, waar de man een euro krijgt. Vrouwen gaan dus aanzienlijk minder verdienen zodra ze moeder worden. Bij mannen gebeurt exact het omgekeerde. Zodra ze nageslacht krijgen, wordt hun inkomen hoger. Het wordt zelfs hoger dan dat van mannen zonder kind. Hoe kan dat?

DRIE DAGEN

Een veelgehoorde verklaring is dat vrouwen met kinderen nou eenmaal minder werken. Logisch dus dat ze minder verdienen. Inderdaad, in Nederland wordt veel in deeltijd gewerkt, meer dan in ieder ander Europees land. 60 procent van de vrouwen in Nederland werkt parttime, tegenover 15 procent van de mannen. Het anderhalfverdienersmodel is in Nederland dan ook het populairst: bij 56 procent van de stellen met kinderen werkt de ­vader vijf dagen en de moeder drie, bij 24 procent werkt de vader fulltime en blijft de moeder thuis voor de kinderen. Families waarbij de partners allebei ­fulltime of parttime werken zijn zeldzaam (8 procent en 7 procent). Dat deeltijdwerken heeft als gevolg dat moeders minder werkervaring opbouwen, wat hun carrièrekansen op de lange termijn verkleint, waardoor ze per uur minder verdienen.

Toch blijkt die deeltijdtraditie maar voor een klein deel de inkomensverschillen te verklaren. Wanneer daarop gecorrigeerd wordt, is de inkomenskloof nog altijd diep. Volgens Volkskrant-columnist Elma Drayer is dat de schuld van de ­Nederlandse moeders zelf. Drayer verwijt ze in haar boek Verwende prinsesjes dat ze alleen maar werken omdat dat leuk is. Ze hebben een totaal gebrek aan ambitie. Vrouwen voelen zich volgens Drayer niet verantwoordelijk een substantiële bij­drage te leveren aan de huishoudpot, waardoor ze economisch gezien niet op eigen benen kunnen staan. De inkomenskloof is dus de moeders zelf aan te rekenen. Eigen schuld, dikke bult.

Graven moeders inderdaad hun eigen ­inkomenskloof? Nee, zegt Amy Cuddy, sociaal psycholoog aan Harvard University. De straf die vrouwen krijgen omdat ze zich voortplanten, wordt grotendeels ingegeven door vooroordelen over moeders. Dat fenomeen staat in de wetenschappelijke literatuur bekend als de motherhood penalty. Cuddy vroeg in 2007 aan bijna tweehonderd proefpersonen om vrouwen en mannen, met of zonder ­kinderen, te beoordelen. Wat bleek? ­Moeders zijn weliswaar warmer, is het oordeel, maar ook minder competent dan vrouwen zonder kinderen of vaders. Uit een ander experiment bleek dat moeders naast minder competent ook als minder betrokken bij de organisatie worden ­gezien. Volgens Cuddy komt dat door het vooroordeel dat we hebben over werkende moeders. Vergeleken bij vaders zouden ze niet alleen vaker zijn afgeleid door hun gezin, maar ook vaker vrij nemen en vaker afwezig zijn vanwege de kinderen.

BABY BOVEN BAAN

Een vooroordeel komt meestal niet uit de lucht vallen. Want omdat van moeders verwácht wordt dat zij voor hun kinderen zorgen, doen ze dat ook. Van vaders wordt verwacht dat zij de kost verdienen en ­verder niks. Die blijven op de zaak zitten als hun kind ziek is. Maar door er van ­tevoren vanuit te gaan dat álle moeders voor het minste of geringste van hun werk wegrennen, geef je ze niet de kans om het tegendeel te bewijzen. Meerdere onderzoeken concluderen dat moeders minder snel worden uitgenodigd voor sollicitatiegesprekken, dat ze minder snel worden aangenomen en dat ze minder salaris krijgen dan hun tegenhangers zonder kinderen met dezelfde competenties. Ook wordt er minder snel aan hen gedacht als er een hogere functie vrijkomt.

KLAPPEN UIT ANDERE HOEK

Kunnen moeders iets doen om te be­wijzen dat ze juist wel betrokken zijn en hart hebben voor de zaak? Niet echt, laat onderzoek van de Amerikaanse socioloog Shelley Correll uit 2010 zien. Ze liet werkgevers reageren op fictieve aanbevelingsbrieven, waarbij ze een aantal moeders beschreef als ‘meest productieve werk­nemer die onze afdeling heeft gekend’, met als gevolg dat ze als even competent gezien werden als niet-moeders. De klappen kwamen nu uit een andere hoek. ­Vergeleken bij de kinderlozen werden moeders ineens als minder warm, minder aardig en zelfs als arroganter en egoïstischer gezien. En dat had tot gevolg dat ze wederom minder snel werden aange­nomen en lagere salarissen aangeboden kregen, ondanks dat ze nu als even competent werden gezien. Correll noemt dit ‘normatieve discriminatie’, iets wat ­gebeurt wanneer iemand niet aan de ­verwachtingen voldoet. Van moeders ­verwachten we nu eenmaal dat ze hun baby boven hun baan zetten, dus accepteren we het niet dat ze zo hard werken.

Het zit in onze cultuur ingebakken dat we van moeders verwachten dat ze de ­prioriteit geven aan hun gezin in plaats van aan hun werk. Vraag je aan de Nederlandse bevolking hoeveel moeders met jonge kinderen zouden moeten werken, dan zegt de meerderheid: twee of drie ­dagen. Gaan de kinderen naar school, dan is drie tot vier dagen geoorloofd. Voor ­vaders is vier of vijf dagen normaal, aldus de laatste Eman­cipatiemonitor. Oftewel: de stereotiepe vader is broodwinner, de stereotiepe moeder zorgt voor de kinderen. Werkende vrouwen met kinderen zien we – vaak ­onbewust – als minder ­goede moeders, helemaal als ze er een glanzende carrière op nahouden. We staan simpelweg niet toe dat moeders en vaders zich anders gedragen dan het stereotype voorschrijft.

OMDAT VAN MOEDERS VERWÁCHT WORDT DAT ZIJ VOOR HUN KINDEREN ZORGEN, DOEN ZE DAT OOK

Logisch dus dat we vastgeroest zitten in traditionele rolpatronen. Logisch dus dat vaders steeds harder gaan werken om in ieder geval financieel goed voor hun kinderen te zorgen, net zoals het logisch is dat moeders zichzelf aanpraten dat ze tevreden zijn met het huidige zorg-werk paradigma.

Toch moet die roest te verwijderen zijn. Maar waarmee helpen we die motherhood penalty onze Nederlandse cultuur uit? Een van de dingen die in ieder geval deels lijkt te werken, is het invoeren van flexibele werktijden en de mogelijkheid tot thuis werken. Uit onderzoek van de ­Amerikaanse Claudia Goldin, hoogleraar economie aan Harvard University, blijkt dat de inkomenskloof tussen vaders en moeders vrijwel helemaal kan verdwijnen als bedrijven hun medewerkers niet zo rijkelijk zouden belonen voor lange werkweken, overwerk en hun aanwezigheid op specifieke kantooruren. Dat is volgens haar al het geval in sectoren zoals de technologie, wetenschap en gezondheidszorg. Maar voor het bedrijfsleven zoals de ­financiële sector en de advocatuur geldt dat nog niet. Daar wordt van je verwacht ’s ochtends te beginnen en fulltime ­werken wordt aanzienlijk hoger beloond dan parttime werken. In de ICT-sector, waar het al normaler is voor mannen als vrouwen om buiten kantoor en buiten kantoortijden te werken, zijn de inkomensverschillen een stuk kleiner.

DE INKOMENSKLOOF KAN VERDWIJNEN ALS BEDRIJVEN STOPPEN MET HET BELONEN VAN LANGE WERKWEKEN EN OVERWERK

Toch is er een hele grote maar. Want moeders hebben alleen baat bij die flexibiliteit als de overheid hen tegemoet komt in de kinderopvangkosten, zo concludeerde Anja-Kristin Abendroth in 2013 in haar promotie-onderzoek aan de Universiteit Utrecht. Wat dat betreft doet minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het best goed: Nederland trekt volgend jaar 290 miljoen euro uit voor de kinderopvangtoeslag. Maar in Noorwegen geeft de overheid vier keer zo veel uit aan kinderopvang en in Denemarken zelfs acht keer. Het idee is: hoe meer de kinderopvangkosten voor werkende ouders ­worden verlaagd, hoe beter ze werk en zorg kunnen combineren. Volgens Abendroth stimuleert die overheidssteun het tweeverdienersmodel, waardoor vrouwen meer uren gaan werken, meer gaan verdienen en minder snel kiezen voor een functie met een lager inkomen. Bovendien zijn werkgevers dan minder geneigd om moeders te stigmatiseren.

De kinderbijslag, een andere overheidsmaatregel, doet trouwens het tegenovergestelde, aldus Abendroth. Met ­kinderbijslag stimuleer je niet direct dat vrouwen meer gaan werken, omdat de hoogte van die bijslag niet afhangt van het aantal uren dat je werkt. Bij de kinder­opvangtoeslag is dat wel het geval: hoe meer je als vrouw werkt, hoe meer geld je van de overheid krijgt. Bij een hoge ­kinderbijslag blijven mannen dus kostwinner en omarmen ouders het anderhalfverdienersmodel.

ZELFS IN SCANDINAVIË

Het is dus geen wonder dat de motherhood penalty het kleinst is in Scandinavische landen. Dat de Scandinavische landen (IJsland, Finland, Noorwegen, Zweden en Denemarken) boven aan de seksegelijkheidlijst staan die het World Economic Forum jaarlijks publiceert, is niet ver­rassend. Nederland komt als veertiende uit de bus in de lijst van 142 landen. Het gaat dus best goed, we laten 128 landen achter ons, maar we zijn er nog niet.

Toch kennen zelfs de Scandinavische landen een motherhood penalty. Neem Zweden. Ondanks de flexibele werkuren voor beide ouders, verlof voor zieke ­kinderen en betaalbare kinderopvang, worden moeders ook daar nog steeds als primaire zorgverlener gezien. De wortels van de penalty liggen hier in het feit dat het riante ouderschapsverlof niet gelijk over de ouders wordt verdeeld. Zweedse ouders hebben zodra hun kind is geboren, recht op zestien maanden verlof met ­behoud van 80 procent van hun salaris. Vaders zijn verplicht om twee maanden op te nemen. En daar houden ze het vaak ook bij, waardoor de zorg alsnog scheef loopt. Dit jaar kondigde de Zweedse overheid aan om het vaderschapsverlof drie maanden te maken, teneinde ouders iets gelijkwaardiger te maken.

ZWEEDSE VADERS ZIJN VERPLICHT TWEE MAANDEN VERLOF OP TE NEMEN. EN DAAR HOUDEN ZE HET BIJ

Het gevolg van dit grote verschil in het opnemen van verlof tussen vrouwen en mannen is dat het bedrijfsleven drie keer nadenkt voordat ze een vrouw in dienst nemen. Dus werken Zweedse vrouwen vooral in de publieke sector. En aangezien de hoogste salarissen nu eenmaal in het bedrijfsleven worden verdiend, verdienen mannen het meeste geld. Hierdoor blijft het inkomensverschil eigenlijk via een achterdeur gehandhaafd.

‘Geen overheidsbeleid is tot nu toe echt effectief in het verbeteren van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen,’ zegt de Franse Élisabeth Badinter, vooraanstaand feminist en filosoof in haar boek The Conflict. ‘De verdeling van werk tussen stellen is nog steeds ongelijk in elk land, inclusief de Scandinavische.’ Volgens Badinter is het enige dat helpt bij het keren van het tij als stellen alle zorg rondom hun kinderen volledig verdelen, en wel vanaf de geboorte.

Meer werk uit mijn portfolio